Hemel

In de joods-christelijke traditie wordt God gezien als Schepper van hemel en aarde. Deze God heeft zich met het aardse verbonden. Hemel en aarde zijn in deze traditie door God tot leven geroepen. Alles wat is en wordt, heeft zijn oorsprong bij deze God. Het leven op aarde staat door de schepping in relatie met God. Daardoor is God dan ook in het aardse te vinden. God is niet tot in eeuwigheid in zichzelf God gebleven, maar heeft buiten zichzelf een nieuw bestaan laten worden. In de joodse traditie wordt God in de hemel geplaatst, als een plek waar God woont. Het is geen letterlijke plaats, maar een symbool voor de wereld waar God, als geheel andere, woont en vertoeft.


Volgens een joods verhaal verveelde God zich in de hemel. Het was daar vreselijk saai. Met alleen maar rondfladderende engelen om zich heen verlangde God naar beter gezelschap. Het leven in de hemel werd een sleur. God had alles al zeven keer doordacht en iedere denkbare discussie al wel twaalfmaal met zichzelf gehouden. Het werd tijd voor iets nieuws. Tot groot verdriet van de engelen maakte God zich een bondgenoot: de aarde en de mens. Nu is God niet langer alleen. Door een nieuwe wereld te creëren heeft God zijn eenzaamheid doorbroken. God heeft in de mens een schepsel gevonden. Daardoor heeft God wat met de mens en andersom. Er is dus sprake van een relatie tussen God en mens. Een mens is dan ook niet tot eenzaamheid geschapen, maar tot verbondenheid.


Het relationele zit er bij de mens dus ingebakken. Het hoort tot de natuur van een mens om relaties aan te gaan. Niet stil blijven zitten achter de geraniums, maar de wereld in! In verbondenheid met God, de ander, de natuur, de hele kosmos, komt een mens tot leven. Een moderne spiritualiteit probeert God in allerlei aardse zaken te ontdekken. Er wordt niet doelloos naar de hemel gestaard, maar naar de wereld om ons heen. God bevindt zich niet ver weg op een wolk. Ook is God niet achter de horizon van de moderne cultuur verdwenen. God is te vinden in de ogen van een liefdevolle naaste, in de stoere gestalte van een oeroude boom, in de klanken van een muziekstuk of in de heftige penseelstreek van een schilderij. Heerlijk.