Hel

In allerlei verschillende godsdiensten vinden we een geloof in een leven na de dood. Dat dood zo maar dood is, is zelfs voor de meest verstokte atheïst niet helemaal te pruimen. De overledene leeft toch op zijn minst voort in de gedachten van de nabestaanden.


Nu is geloven in een leven na de dood in een schitterend paradijs één ding, geloven in een hel is nog wel iets anders. Dat de mens voortleeft als ziel of na zijn dood als energiebaan rond de aarde blijft zweven is voor de meeste mensen geen echt probleem. Alleen met een eeuwig branden in de hel hebben de meesten toch grote moeite. Toch kent de christelijke traditie de hel, naast de hemel. De hel als fantastisch ondergronds rijk van wreedheid is een ongekend verbeelding van het rauwe menselijke leven. Beroemde namen als Homerus, Augustinus, Dante, Bosch en vele anderen hebben er hun creatieve brein op los gelaten. De hel als verbeelding van het lijden, de ruwheid van het bestaan is iets wat we niet overboord moeten gooien. Maar of de hel werkelijk bestaat, is een heel ander geval.


Wanneer we het Eerste testament erop naslaan valt op dat Israël zich weinig met de dood heeft beziggehouden. In het gedachtengoed van Israël betekent dood eerder een bepaalde manier van in het leven staan. Dood staat voor een gedevalueerd bestaan. Dit dode bestaan wordt in de 'sjeoel' gelokaliseerd. De onderwereld. Zeg maar een plaats van een 'niet-bestaan'.  Een tweede woord dat voor onderwereld wordt gebruikt is 'Gehenna'. Dit betekent gewoon het macabere dal in de buurt van Jeruzalem: het dal van Hinnom. Hier zouden in vroeger tijden mensen aan de God Moloch kinderen hebben geofferd. Ook waren er vuurovens van pottenbakkers, waarin dode dieren en misdadigers werden verbrand. Gehenna was een stinkende vuilnisbelt. Gehenna was een afschuwelijke plek, een vloek eigenlijk. Sjeoel en Gehenna zijn metaforen voor een dor en droog bestaan. Als mens verword je tot een levenloze schim, wanneer je je onttrekt aan het rechtvaardige leven.


In het Tweede Testament zien we dat de apostel Paulus weinig woorden vuil maakt aan de hel. Hij schrijft wel over mensen die niet tot het Koninkrijk van God worden toegelaten. Volgens Paulus zal overspeligen, afgodendienaars, echtbrekers, homoseksuelen, dieven, dronkaards, zwendelaars en tovenaars de toegang tot Gods Rijk worden ontzegd. (Galaten 5: 19-21). In de optiek van Paulus zullen de heiligen het eeuwige leven erven en de zondaars slechts de dood.


Marcus en Mattheüs spreken ook niet vaak over de hel. Daar spreekt men vooral van een 'buitenste duisternis'. Wie gelooft verwerft eeuwig leven, maar wie niet heeft, zal in de buitenste duisternis geworpen worden (Mattheüs 25: 30). Het 'bewijs' voor een hel heeft het christendom gevonden bij Lucas. Deze evangelist heeft de sociale verantwoordelijkheid van de welgestelden voor de armen, met een aantal sprekende parabels onder woorden gebracht. De bekendste en meest spraakmakende is die van de arme lazarus en de rijke man (Lucas 16: 19-31). In deze gelijkenis wordt een rijke, die in purper en fijn linnen is gestoken en iedere dag feest hield, geplaatst tegenover de arme bedelaar Lazarus. Als de rijke sterft wacht hem de hel. Omringd door vlammend vuur, smeekt de rijke Abraham om Lazarus hem wat water te laten brengen. Abraham is onverbiddelijk. De rijke heeft het goede al gehad. Met name deze parabel heeft model gestaan voor het ontstaan van de hel in de christelijke traditie.


De hel is eerder te beschouwen als een beeld voor een hel op aarde, dan als een werkelijk plek waar mensen na hun dood gestraft worden voor hun zonden.