Lijden

In haar kampmemoires beschrijft Tineke Wibaut een ontroerende scene tijdens een van de dodenmarsen waar ze zelf aan deelneemt. Een grote groep vrouwen trekt door het Poolse achterland naar een onbekende bestemming. Het was een ongekend lijden. Ze zijn allen gevangenen van het nationaal socialisme. Bestemd om te sterven. Terwijl ze voortsjokken door de oneindige leegte vallen twee vrouwen voor haar ogen op de bevroren grond. Ze zijn totaal verzwakt. Langs de kant van de weg ziet Tineke boomstammetjes liggen waar ze een draagbaar van maken. Met z'n zessen dragen ze ieder een vrouw. Uren lang. Totdat ze zelf niet meer kunnen. Pas dan laten ze de vrouwen achter aan de kant van de weg. Om te sterven. Ergens in Polen.


Het lijkt misschien een zinloze daad. Op zich werd hun dood alleen maar een paar uur uitgesteld. De vrouwen werden niet gered. Maar het ging om het principe. Je laat de ander niet aan zijn lot over. Je draagt de ander zo lang je dit kunt. Als verzet tegen ontmenselijking. Als teken van menswaardigheid in een situatie waarin alle ethiek verdwenen is. Tineke en de andere vrouwen verhieven zich uit het systeem van terreur.

Attente zorgzaamheid. Kleine gebaren van tederheid en troost maakten dat God niet afwezig was in de kampen van de dood. De Eeuwige laat zich niet wegschuiven uit het bestaan zo lang mensen de ander toegewend zijn.


Dit zijn vaak geen grote heroïsche daden waar we de wereld in één klap mee verbeteren. Door de stervende vrouwen een paar kilometer te dragen werden ze niet gered. Maar ze werden wel zoals Herberg dat verwoordde: "Hoog oprijzende mensen". De Eeuwige brachten ze aan het licht. God werd zichtbaar. Op deze manier wordt het lijden dragelijk. Is het vol te houden en krijgt het een betekenis.